Onderzoek en ontwikkeling (R&D) is belangrijk voor onze economie. Nederland geeft meer uit aan R&D dan het gemiddelde van de Europese Unie (EU), maar minder dan het gemiddelde van de landen in de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Dat komt voor een belangrijk deel door de sectorsamenstelling van Nederland.
Vergelijking met EU en OESO
In 2024 werd er in Nederland 2,36 procent van het bruto binnenlands product (bbp) uitgegeven aan R&D. Dat is meer dan het gemiddelde (2,13 procent) van de EU. Nederland blijft wel achter bij het gemiddelde van de OESO-landen (2,72 procent).
De achterstand ten opzichte van het gemiddelde van de OESO is geconcentreerd bij de R&D-uitgaven van bedrijven. Naast bedrijven worden hoger onderwijsorganisaties en instellingen (bestaande uit onderzoeksinstellingen en private non-profitorganisaties) onderscheiden als uitvoerders van R&D. De R&D-uitgaven van deze overige uitvoerders van R&D bevinden zich in 2024 iets beneden het niveau van het OESO-gemiddelde en ook het EU-gemiddelde.
Van 2014 tot 2024 zijn de totale R&D-uitgaven in verhouding tot het bbp in respectievelijk Nederland en de EU met 0,21 en 0,13 procent van het bbp gestegen. Gemiddeld in de OESO is de stijging veel sterker geweest, namelijk 0,38 procent van het bbp. De stijgingen hebben plaatsgevonden bij bedrijven. De R&D-uitgaven bij de overige uitvoerders van R&D zijn in verhouding tot het bbp gedaald tussen 2014 en 2024, in Nederland substantieel met 0,07 procent van het bbp en gemiddeld in de OESO en de EU licht met 0,01 procent van het bbp.
In 2020 zijn de R&D-uitgaven van bedrijven in verhouding tot het bbp vrij sterk gestegen, zowel in Nederland als internationaal. Dat komt door een neerwaartse invloed van de coronacrisis op het bbp. Dit is een tijdelijk effect geweest. Wel zien we dat de R&D-uitgaven in verhouding tot het bbp in de daarna volgende jaren op hogere niveaus zijn gebleven, zowel in Nederland als internationaal. Opmerkelijk zijn verder de forse stijgingen van de R&D-uitgaven in Nederland in 2023 en 2024, met in totaal 0,18 procent van het bbp. Laatstgenoemde totale stijging komt volledig voor rekening van de bedrijven. De stijgingen in de laatste twee jaren zorgen ervoor dat Nederland over de gehele periode 2014-2024 een stijging van de totale R&D-uitgaven heeft gekend die 0,08 procent van het bbp sterker is geweest dan gemiddeld in de EU.
Totale R&D-uitgaven: Nederland, EU-27 en OESO-landen, 2014-2024 (% van bbp)
Nederland EU-27 OESO-landen 2014 2,15 2 2,35 2015 2,12 2 2,36 2016 2,12 1,98 2,36 2017 2,14 2,02 2,4 2018 2,1 2,06 2,47 2019 2,14 2,1 2,54 2020 2,27 2,17 2,7 2021 2,22 2,13 2,68 2022 2,18 2,11 2,67 2023 2,3 2,15 2,7 2024 2,36 2,13 2,72
R&D-uitgaven van bedrijven: Nederland, EU-27 en OESO-landen, 2014-2024 (% van bbp)
Nederland EU-27 OESO-landen 2014 1,39 1,26 1,61 2015 1,36 1,28 1,64 2016 1,39 1,29 1,65 2017 1,42 1,33 1,69 2018 1,4 1,37 1,76 2019 1,43 1,39 1,82 2020 1,51 1,42 1,94 2021 1,46 1,4 1,95 2022 1,49 1,4 1,96 2023 1,59 1,42 1,98 2024 1,67 1,41 2
Herziening cijfers R&D-uitgaven
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft in 2019 de methode herzien om R&D-uitgaven te bepalen. Dit is gedaan naar aanleiding van wijzigingen in internationale richtlijnen voor de R&D-statistiek.
Door deze herziening scoort Nederland hoger bij de R&D-uitgaven dan daarvoor. De effecten van de herziening zijn:
- De totale R&D-uitgaven in Nederland zijn ongeveer 0,20 procent van het bbp hoger geworden.
- De R&D-uitgaven van bedrijven zijn naar boven bijgesteld met ongeveer 0,30 procent van het bbp.
- De R&D-uitgaven van instellingen zijn naar beneden aangepast met ongeveer 0,10 procent van het bbp.
Ingehuurd R&D-personeel wordt nu volledig meegenomen bij de R&D-activiteiten van bedrijven en instellingen. En bepaalde publieke organisaties, die voor een belangrijk deel inkomsten halen uit marktactiviteiten, worden nu als bedrijven gezien en niet als overheidsinstellingen.
Sectorsamenstelling beïnvloedt percentage R&D-uitgaven
Dat de R&D-uitgaven in Nederland structureel achterblijven bij het gemiddelde van de OESO en de ambitie om 3 procent van het bbp aan R&D te besteden, wordt veroorzaakt door lagere R&D-uitgaven van bedrijven. De R&D-intensieve sectoren spelen hierin een belangrijke rol. Deze sectoren maken in Nederland een kleiner deel van de economie uit dan in R&D-intensieve OESO-landen. De Rabobank heeft in 2025 een analyse uitgevoerd waarin het probeert de achterstand die Nederland bij de R&D-uitgaven van bedrijven heeft ten opzichte van landen met relatief hoge R&D-uitgaven te verklaren. Die achterstand wordt daarin uitgesplitst in een sectorsamenstellingseffect en een effect dat toe te schrijven is aan verschillen in de omvang van de R&D-uitgaven (in verhouding tot de toegevoegde waarde) op het niveau van sectoren.
Nederland is daarbij vergeleken met een top-10 van landen in de OESO met de hoogste R&D-uitgaven van bedrijven in verhouding tot het bbp. Israël, dat veruit het hoogst scoort, is daarbij weliswaar buiten beschouwing gelaten. De R&D-achterstand van Nederland ten opzichte van een gewogen gemiddelde van de tien OESO-landen bedroeg in 2022 ongeveer 1,2 procent. Uit de analyse volgt dat ongeveer de helft hiervan kan worden verklaard uit het sectorsamenstellingseffect.
Klik hier voor de analyse van de Rabobank.
Bedrijfsuitgaven aan verschillende soorten R&D
Bedrijven kunnen op verschillende manieren aan R&D doen:
- Fundamenteel onderzoek: gericht op nieuwe wetenschappelijke kennis, zonder stil te staan bij specifieke praktische toepassingen;
- Toegepast onderzoek: gericht op nieuwe wetenschappelijke kennis voor specifieke praktische toepassingen in nieuwe of verbeterde producten en processen;
- Experimentele ontwikkeling: gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten en processen.
Uit OESO-cijfers blijkt dat we in Nederland vooral minder uitgeven aan experimentele ontwikkeling in vergelijking met andere relatief kennisintensieve economieën. Hierbij lijkt een rol te spelen dat Nederlandse bedrijven veel op buitenlandse markten opereren en daar veel aan productontwikkeling doen, dicht bij lokale markten. Bedrijven in Nederland scoren wel boven het OESO-gemiddelde en het gemiddelde van de voormalige EU-15 bij de uitgaven aan toegepast onderzoek. Bij de uitgaven aan fundamenteel onderzoek scoren bedrijven in Nederland ongeveer even hoog als de gemiddelden in de OESO en de voormalige EU-15. De cijfers duiden erop dat in Nederland wel veel kennis ontwikkeld wordt met onderzoek, maar dat de benutting ervan voor de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten in Nederland achterblijft in vergelijking met andere landen. Lees meer over valorisatie op deze pagina. Opvallend is verder dat Zuid-Korea op alle drie de soorten R&D relatief hoog scoort en dat de R&D van bedrijven in China bijna geheel uit experimentele ontwikkeling bestaat.
R&D-uitgaven van bedrijven als aandeel van het bbp (in %), 2023
Fundamenteel onderzoek Toegepast onderzoek Experimentele ontwikkeling Nederland 0,15 0,77 0,67 Voormalige EU-15 0,15 0,62 0,84 OECD 0,15 0,45 1,41 Belgi� 0,12 1,15 1,07 Oostenrijk 0,13 0,64 1,46 Duitsland 0,19 0,87 1,08 Denemarken 0,11 0,71 1,09 Finland 0,12 0,42 1,55 Zweden 0,14 0,6 1,97 Verenigde Staten 0,16 0,41 2,09 Japan 0,19 0,42 2,09 Zuid-Korea 0,42 0,7 2,79 China 0,01 0,06 1,93