Het bedrijvenbeleid van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) is in 2025 doorgelicht in de periodieke rapportages op het terrein van ondernemerschaps- en innovatiebeleid. De thema’s omvatten al het beleid op de beleidsartikelen 2 en 3 van de EZK-begroting. De periodieke rapportages zetten alle evaluaties van instrumenten in de periode 2020-2025 op een rij en trekken conclusies over de doeltreffend en doelmatigheid van het beleid.
Belangrijkste uitkomsten
Het onderzoek, uitgevoerd door de onderzoekbureaus SEO en Birch, concludeert dat het ondernemerschaps- en innovatiebeleid in het algemeen effectief en legitiem is. Het gevoerde beleid draagt bij aan een sterk verdienvermogen, een aantrekkelijk ondernemingsklimaat en een innovatieve, veerkrachtige economie. De evaluatiepraktijk op beide beleidsterreinen is breed ontwikkeld en kenmerkt zich door periodieke evaluaties inclusief opvolging van bevindingen.
Het ondernemerschapsbeleid kent, aldus de onderzoekers, sterke punten ten aanzien van toegang tot financiering, kennisbescherming- en veiligheid, het beperken van regeldruk en leveren van goede en toegankelijke dienstverlening aan ondernemers. Verbeterpunten zijn er bij fiscale ondernemerschapsregelingen, die deels niet doeltreffend en doelmatig zijn. Dit geldt ook voor regelingen op het terrein van menselijk kapitaal, die te klein zijn voor macro-economische impact en concurreren met beleid van andere ministeries.
Innovatie genereert kennisspillovers en helpt maatschappelijke uitdagingen op te lossen, waar het innovatiebeleid veelal (deels) doeltreffend en doelmatig aan bijdraagt. Innovatiebeleid is succesvol bij generieke regelingen gericht op het bevorderen van innovatie in het bedrijfsleven, het in stand houden van een hoogwaardig toegepast kennisstelsel en het vergroten van valorisatie van kennis en onderzoek. Missiegedreven innovatiebeleid adresseert systeem- en transitiefalen door innovatie te richten op maatschappelijke opgaven en past bij de noodzaak tot scherpere keuzes bij toenemende schaarsten. Aandachtspunten zijn, aldus de onderzoekers, schaal en samenhang voor het beleid gericht op valorisatie, startups en scale-ups, en de digitale transitie. Ook dient sectorspecifieke steun beter onderbouwd te worden. Deze kan vanuit strategische autonomie overigens verdedigbaar zijn, aldus de onderzoekers.
Klik hier om de periodieke rapportages en de kabinetsreactie hierop te lezen.
Geëvalueerde activiteiten
Van de instrumenten uit het bedrijvenbeleid waren er 75 geëvalueerd, waarvan 66 in de periode 2020-2025. In aantallen is dit respectievelijk 64 en 56 procent van de instrumenten. Uitgedrukt in budgetten van deze instrumenten is 94 procent van alle ingezette middelen in de periode 2020-2025 geëvalueerd. Dit betekent dat de instrumenten die niet recent geëvalueerd zijn, een relatief klein budgettair belang hebben.
Beschikbaarheid van evaluaties voor de periodieke rapportages
Percentage Geëvalueerd tussen 2020 en 2025 56% Voor 2020 geëvalueerd 8% (Nog) niet geëvalueerd 26% Overig 10%
Beleidsinspanningen die (nog) niet geëvalueerd waren ten tijde van de periodieke rapportage, zijn veelal instrumenten die zo nieuw waren dat ze nog niet geëvalueerd hoefden te worden. Hieronder vallen bijvoorbeeld projecten uit het Nationaal Groeifonds en nieuw beleid gericht op het versterken van de concurrentiekracht en vernieuwing van sectoren. Tot de overige categorie van activiteiten die niet geëvalueerd zijn, behoren begrotingsposten voor flankerend en overig beleid die niet aan specifieke activiteiten gekoppeld konden worden, maar wel gerelateerd zijn aan tactisch doelen. Voorbeelden zijn instrumenten zoals de Financieringsgids, NLGroeit en het One Single Hub Fonds.
Doeltreffendheid van het instrumentarium
Voor de meeste instrumenten laten de periodieke rapportages zien dat ze (grotendeels of deels) doeltreffend zijn. Er is een (beperkt) aantal instrumenten dat niet of beperkt doeltreffend geëvalueerd is.
Zo is binnen het ondernemerschapsbeleid een aantal fiscale regelingen geëvalueerd als zijnde niet of beperkt doeltreffend. Mede als gevolg hiervan is in 2026 besloten dat de Meewerkaftrek en de Stakingsaftrek worden afgebouwd en in 2030 zullen verdwijnen. Binnen het innovatiebeleid zijn het Toekomstfondskrediet Onderzoeksfaciliteiten (TOF), de MKB Innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT) en de Small Business Innovation Research (SBIR) instrumenten die als niet of beperkt doeltreffend zijn beoordeeld. Het TOF is in 2020 al als regeling vervallen, waarbij er nog uitgaven doorliepen tot in 2022). De MIT-regeling is in 2025 herzien en budgettair gereduceerd naar aanleiding van de evaluatie van dit instrument. Bij de SBIR (tegenwoordig Innovation Competition Challenge geheten) zijn inmiddels aanpassingen doorgevoerd ter verbetering van de werking van het instrument, mede ter opvolging van aanbevelingen uit de evaluatie van dit instrument.
Voor een aantal instrumenten is niet genoeg data beschikbaar om de doeltreffendheid te kunnen vaststellen, zoals bij de opschaling van publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs als Nationaal Groeifondsproject op het terrein van menselijk kapitaal. Dit betekent niet dat het instrument niet doeltreffend is.
Doeltreffendheid en niveau van de onderbouwing van de uitkomsten volgens de effectladder (aantal geëvalueerde beleidsactiviteiten)
Wel of grotendeels doeltreffend Deels doeltreffend Niet of beperkt doeltreffend Onzeker (Nog) niet onderzocht Zeer waarschijnlijk of bewezen (in)effectief 18 3 7 Waarschijnlijk (in)effectief 5 1 2 Verwacht en mogelijk (in)effectief 21 1 2 6 (Nog) niet onderzocht 8
Kwaliteit evaluaties
De kwaliteit van de conclusies over doeltreffendheid kan beoordeeld worden door ze te rangschikken op de zogenaamde effectladder. De effectladder laat met een score van 1 tot en met 5 zien hoe ‘hard’ de uitkomsten van de evaluatie zijn. Hoe hoger de score hoe robuuster de uitkomst. De positie van evaluaties op de effectladder is weergegeven in bovenstaande grafiek, waar de hoogte van de totale balk laat zien hoeveel evaluaties een bepaalde positie op de effectladder hebben. Hierbij zijn het eerste (mogelijk (in)effectief) en tweede niveau (verwacht (in) effectief) samengevoegd en ook het vierde (zeer waarschijnlijk (in) effectief) en vijfde niveau (bewezen (in) effectief).
Ruim een derde van de evaluaties (38 procent) heeft (g)een bewezen of zeer waarschijnlijk effect (score 4 of 5 op de effectladder) kunnen vaststellen. Dit betekent dat de mate van doeltreffendheid van een instrument bewezen of zeer waarschijnlijk is in een evaluatie. Bij de laatste beleidsdoorlichting in 2020 was dit ook ongeveer een derde (toen 34 procent). Voor niet alle instrumenten zijn de data beschikbaar die een kwantitatieve evaluatie mogelijk maken. Kwantitatieve evaluaties hebben doorgaans een hogere score op de effectladder, hoewel het ook mogelijk is om met een combinatie van kwalitatieve evaluatietechnieken tot een score van 4 (uit 5) te komen.