De Nederlandse overheid heeft zich gecommitteerd aan de Europese doelstelling om drie procent van het bbp te investeren in R&D. Ongeveer tweederde van die totale R&D-intensiteit zou dan afkomstig moeten zijn van het bedrijfsleven. Het stimuleren van de R&D-investeringen bij bestaande bedrijven is daarom een belangrijk kanaal om de 3-procentdoelstelling te bereiken.

In dit rapport onderzoeken we hoe de private R&D-intensiteit zich tussen 2015 en 2022 ontwikkeld heeft. Allereerst vergelijken we onze situatie met die in een aantal Europese benchmarklanden. Daarnaast laten we met behulp van een decompositie-analyse zien in hoeverre die ontwikkeling is gedreven door veranderingen in de R&D-intensiteit binnen sectoren of juist door veranderingen in de Nederlandse sectorstructuur. Ten slotte zoomen we in op diverse groepen bedrijven om te zien waar de meeste winst valt te behalen: bij de bedrijven die al heel veel in R&D investeren of juist bij de wat kleinere spelers? 

Dit onderzoek heeft ook geleid tot een kort bericht in ESB: R&D-subtoppers zijn minder in R&D gaan investeren.

De belangrijkste bevindingen zijn:

  • Ondanks dat er fors meer in R&D is geïnvesteerd en ook vergeleken met andere landen, is de private R&D-intensiteit in Nederland nauwelijks toegenomen tussen 2015 en 2022. Dit komt doordat de omvang van de Nederlandse economie ook hard is gegroeid.
  • Tegelijkertijd laat België in dezelfde periode zien dat het wel mogelijk is om flink te versnellen richting de R&D-doelstelling. Maar ondanks die sterke toename is de productiviteitsgroei in België (nog) niet hoger dan in buurlanden waaronder Nederland. R&D is dan ook een middel en geen doel op zich. Het is essentieel om de verspreiding van innovatie te bevorderen, bijvoorbeeld door valorisatie en kennisdiffusie, zodat de voordelen breed binnen de economie worden benut.
  • Over het algemeen zijn sectoren een kleiner aandeel van hun toegevoegde waarde in R&D gaan investeren. Het kleine beetje dat de Nederlandse R&D-intensiteit is toegenomen, komt dan ook doordat de structuur van onze economie is veranderd. R&D-intensieve sectoren zoals de machinebouw zijn daar een belangrijker onderdeel in gaan vormen.
  • Net als in andere landenzijn de R&D-investeringen ook in Nederland enorm scheef verdeeld over bedrijven. De vijf procent grootste investeerders is verantwoordelijk voor 80 procent van alle R&D in Nederland. Dit maakt gerichte beleidsmaatregelen bij een klein aantal grote bedrijven op het oog aantrekkelijk. Maar teveel focus op bestaand succes leidt mogelijk af van het belang om de grote spelers van de toekomst te kweken. Bovendien lijkt het er op dat de R&D-investeringen vooral bij de subtop gestimuleerd zouden moeten worden. Niet bij de vijf procent grootste R&D-investeerders, maar de vijf procent daaronder. Hun R&D-intensiteit is lager geworden door een sinds 2018 consistente vermindering van de R&D-investeringen.
  • Maar het lijkt niet realistisch om de 3-procentdoelstelling alleen te behalen door in te zetten op meer R&D bij bestaande bedrijven. Het is noodzakelijk dat Nederland, naast het behoud van de bestaande R&D-(sub)toppers, vooral ook de oprichting en doorgroei van nieuwe R&D-intensieve bedrijven stimuleert en het vestigingsklimaat voor buitenlandse spelers versterkt.

Meer weten?
Onder ‘Downloads’ vindt u het onderzoek naar de ontwikkeling van de R&D-intensiteit bij bestaande bedrijven.