Verduurzaming industrie

De Nederlandse industrie draagt bij aan onze welvaart, maar ook aan de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen en het verbruik van grondstoffen. Voor een ecologisch duurzaam productiesysteem moet die uitstoot omlaag en moeten materialen worden hergebruikt. De uitdaging is: hoe krijgen we een duurzame industrie? Oplossingen hiervoor bieden ook kansen om de industriële concurrentiekracht te versterken. Kunnen we de komende jaren sneller dan andere Europese landen verduurzamen? Dan biedt dat Nederlandse bedrijven de mogelijkheid om voorop te lopen op de markt voor klimaatneutrale en circulaire productieprocessen.

Hoe staat Nederland ervoor?

Hoe Nederland ervoor staat met de verduurzaming van de industrie zien we door te kijken naar de volgende elementen.

1. Nationaal

De Nederlandse industrie heeft in 2020 de broeikasgasemissies ten opzichte van 1990 met meer dan 33 Mton gereduceerd. Dat komt neer op een daling van meer dan 38 procent. De uitstoot van de Nederlandse industrie is sinds 2015 ongeveer hetzelfde gebleven. Meer over uitstoot en verduurzaming van de Nederlandse industrie.

2. Internationaal

De Nederlandse industrie is een van de meest uitstootintensieve industrieën van Europa. Dat komt voor een belangrijk deel doordat enkele Nederlandse bedrijfstakken relatief veel broeikasgassen uitstoten. Tussen en binnen bedrijfstakken is sprake van grote verschillen in uitstootintensiteit. Meer over de prestaties van Nederland in internationaal perspectief.

3. Circulair materiaalgebruik

Circulair materiaalgebruik betekent dat je materiaal opnieuw gebruikt. Nederland loopt hiermee binnen Europa voorop. In de periode 2010-2018 was het hergebruik van materialen verder toegenomen. Meer over de ontwikkeling van het circulair materiaalgebruik door de Nederlandse industrie.

Wat is het beleid?

Doelstelling

Het internationale klimaatakkoord van Parijs in 2015 heeft doelen gesteld om klimaatverandering te beperken. Mede hierdoor is in de Klimaatwet van 2019 een ambitieus doel gesteld: de uitstoot van broeikasgassen is in 2030 met 49 procent gedaald ten opzichte van 1990. In het klimaatakkoord van 28 juni 2019 is afgesproken dat de industrie in Nederland de uitstoot richting 2030 verder terug moet brengen met 14,3 Mton CO2-equivalenten. Deze reductieopgave kwam bovenop een reductie van 5,1 Mton CO2-equivalenten, voortvloeiend uit onder meer het Energieakkoord 2013.

In navolging van de Europese Green Deal is dit doel voor de hele EU verhoogd naar 55 procent emissiereductie in 2030 en klimaatneutraliteit (netto geen uitstoot) in 2050. In Brussel wordt onderhandeld over de vraag hoe deze doelstelling vertaald wordt naar nationale emissiereductieopgaven. Een volgend kabinet zal vervolgens een besluit nemen over een aanvullende reductieopgave per sector.

Beleid

Om in de industrie de opgave van 14,3 Mton reductie in 2030 te realiseren is een alomvattende transitie nodig, waarin bestaande activiteiten worden om- of afgebouwd en nieuwe opgebouwd. Daartoe word een mix van complementaire instrumenten ingezet, die zowel het aanbod van, als de vraag naar innovatieve reductietechnieken aanjaagt.

Beprijzing

Zo wordt de Nederlandse industrie tot investeringen in verduurzaming aangespoord door beprijzing van emissies via het Europese emissiehandelssysteem ETS en (sinds 2021) de nationale CO₂-heffing, naast subsidies voor onrendabele projecten (SDE++).

Koplopersprogramma’s 

De zes industrieclusters hebben in 2020 koplopersprogramma’s opgesteld om uitvoering te geven aan de klimaatdoelstellingen voor 2030. Deze programma’s benutten synergievoordelen op clusterniveau en leiden tot concrete projectplannen, die weer input zijn voor de planning van energie-infrastructuur en het wegnemen van andere knelpunten.

Overige instrumenten

Daarnaast werkt de industrie samen met de wetenschap en topsectoren aan onderzoek, ontwikkeling, demonstratie en uitrol van nieuwe energiedragers en productietechnieken. Deze innovatieroutes zullen vooral na 2030 hard nodig zijn om de industrie klimaatneutraal te laten produceren. Tot het instrumentarium dat hiervoor wordt aangewend behoren diverse regelingen:

  • DEI+: regeling Demonstratie Energie en Klimaatinnovatie;
  • TSE: regelingen Topsector Energie Industrie en -studies.
  • MOOI: regeling Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie;
  • VEKI: regeling Versnelde Klimaatinvesteringen Industrie;

Zie voor meer informatie de Monitor Klimaatbeleid en de Klimaatmonitor.

Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie

Het Nationale uitvoeringsprogramma Circulaire Economie richt zich op de overgang naar een economie waarin producten en grondstoffen weer opnieuw gebruikt worden. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) levert een bijdrage aan dit rijksbrede programma. Hierin zijn onder andere transitieagenda’s opgesteld voor vijf grondstoffenketens:

  • maakindustrie;
  • kunststoffen;
  • consumptiegoederen;
  • bouw;
  • biomassa en voedsel.

Binnen de maakindustrie wordt in projecten samengewerkt door bedrijven, kennisinstellingen en medeoverheden. Met als doel om de veranderingen in de maakindustrie vorm te geven en te versnellen. Daarbij staat centraal om industriële kringlopen sluitend te krijgen, dat wil zeggen: een kringloop waarbij er geen grondstoffen verloren gaan of toegevoegd worden. Zo wordt bijvoorbeeld gewerkt aan het sluiten van kringlopen van metaalgebaseerde en biobased grondstoffen en producten.

Innovatieprojecten voor circulaire economie

EZK ondersteunt de circulaire economie niet alleen door bij te dragen aan het Rijksbrede uitvoeringsprogramma, maar ook vanuit het innovatiebeleid. In 2020 ging het om meer dan 2800 projecten met grofweg 177 miljoen euro aan ondersteuning vanuit het innovatiebeleid. Daarvan hadden meer dan 740 projecten specifiek betrekking op de maakindustrie met iets meer dan 100 miljoen euro aan overheidssteun. Van alle generieke innovatiemiddelen ging in 2020 elf procent naar projecten voor de circulaire economie. Voor de maakindustrie was dat zes procent. Projecten voor circulaire economie winnen aan belang, want in 2019 betroffen deze percentages zeven respectievelijk vier procent.

Effecten uitvoeringsprogramma

In 2018 verscheen het TNO-rapport ‘Effecten van het Rijksbrede programma circulaire economie en de transitieagenda’s op de emissie van broeikasgassen ’. Daarin is berekend dat het uitvoeringsprogramma kan leiden tot een extra reductie van broeikasgasemissies van ongeveer 7,7 Mton CO2-equivalent per jaar in 2030 en ongeveer 13,3 Mton CO2-equivalent per jaar in 2050. Daarmee draagt het uitvoeringsprogramma voor een aanzienlijk deel bij aan de opgave voor de industrie om in 2030 minder uit te stoten. Het TNO-rapport stelt dat elf procent van de berekende emissiereductie vanuit de maakindustrie komt.

Het Planbureau voor de Leefomgeving voert de regie over een tweejaarlijkse integrale Circulaire Economie rapportage (ICER). Deze rapportage geeft zicht op de voortgang naar een circulaire economie. De eerste is in januari 2021 verschenen. De ICER 2021 laat onder andere zien dat voor Nederland de grondstoffenefficiëntie weliswaar is toegenomen, maar dat de absolute hoeveelheid gebruikte grondstoffen nauwelijks daalt.