Verduurzaming industrie

De Nederlandse industrie draagt bij aan onze welvaart, maar ook aan de emissie van broeikasgassen en die moeten omlaag. Dat biedt ook mogelijkheden ter versterking van de industriële concurrentiekracht. Door de komende jaren sneller dan elders in Europa te verduurzamen, kunnen Nederlandse bedrijven een koppositie verwerven op de markt voor klimaatneutrale en circulaire productieprocessen.

Verduurzaming industrie: hoe staat Nederland ervoor?

De positie van Nederland op het gebied van verduurzaming industrie wordt mede bepaald door de onderstaande indicatoren.

1. Verduurzaming industrie: nationaal

De Nederlandse industrie heeft de broeikasgasemissies ten opzichte van 1990 met 30 Mton gereduceerd. De uitstoot is na 2014 iets opgelopen, wat deels ook samenhangt met de sterke productiegroei van de industrie. Klik hier voor cijfers over uitstoot en verduurzaming van de Nederlandse industrie.

2. Verduurzaming industrie: internationaal

De Nederlandse industrie behoort tot de relatief uitstootintensieve industrieën van Europa. Voor een belangrijk deel wordt dat veroorzaakt doordat Nederland enkele relatief grote uitstootintensieve subsectoren kent. Klik hier voor meer informatie over de prestaties van Nederland op het gebied van verduurzaming van de industrie in internationaal perspectief.

3. Circulair materiaalgebruik

Nederland loopt binnen Europa voorop wat betreft circulair materiaalgebruik. De toename van het hergebruik van materalen is in de periode 2012-2016 iets verder toegenomen. Klik hier voor meer informatie over de ontwikkeling van het circulair materiaalgebruik door de Nederlandse industrie.

Verduurzaming industrie: wat is het beleid?

Doelstelling

In het regeerakkoord heeft het kabinet in navolging van het internationale klimaatakkoord van Parijs in 2015 een ambitieus klimaatdoel gesteld: een reductie van 49 procent broeikasgasemissies in 2030 ten opzichte van 1990. Voor de industrie geldt het indicatieve doel van 59 procent reductie. Volgens het CBS is in 2018 een reductie van 30 Mton CO2-equivalanten (34%) gerealiseerd ten opzichte van 1990. In het klimaatakkoord van 28 juni 2019 is afgesproken dat de industrie de uitstoot richting 2030 met indicatief 19,4 Mton CO2-equivalenten verder moet reduceren. Daarvan volgt 5,1 Mton uit het Energieakkoord 2013 en 14,3 Mton uit het klimaatakkoord. Om deze opgave te realiseren, worden de volgende complementaire instrumenten ingezet.

Innovatie, demonstratie en uitrol

Het kabinet faciliteert bedrijven bij investeringen door een innovatieprogramma gericht op de kostenreductie van kansrijke technieken. Hiertoe behoren niet alleen R&D-programma's van de TKI's (o.a. Energie en Chemie), maar ook pilot- en demonstratieprojecten die ondersteund worden met op emissiereductie gerichte instrumenten (o.a. klimaatenveloppe). In het verlengde daarvan worden onder andere Meerjarige maatschappelijke innovatieprogramma's (MMIPs) vormgegeven en komen SDE++-subsidiemiddelen beschikbaar voor de uitrol op grote schaal van CO2-reducerende technieken die nu nog niet rendabel zijn. Tevens zullen bedrijven verplicht worden om technieken met een terugverdientijd korter van vijf jaar toe te passen. Voor groene waterstof komt er bovendien een waterstofprogramma, gericht op onderzoek, pilots en demonstratieprojecten, infrastructuur en brede waterstoftoepassingen. Uit de figuren blijkt dat energie-innovatie door de overheid de afgelopen jaren ook al actief gestimuleerd is. Zo zijn er in 2018 bijna 500 projecten in gang gezet, met een gezamenlijk budget van €160 miljoen, met nadruk op de thema's energiebesparing en hernieuwbare energiebronnen. Het aantal unieke deelnemers bedroeg in 2018 2.415, waarvan het grootste deel (61%) behoorde tot het mkb.

Energie-innovatieprojecten per IEA-categorie (aantallen, 2013 - 2018)

Energie-innovatieprojecten per IEA-categorie (aantallen, 2013 - 2018)
JaarEnergie-efficiencyFossiele brandstoffen (incl. CCS)Hernieuwbare energiebronnenWaterstof- en brandstofcellenOverige stroom- en opslagtechniekenFundamenteel energie-onderzoek (niet specifiek)Onbekend
20137060108215170
201410351156327301
201512546140441632
201612232122427312
2017128271431436293
20181694615730364514
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Brontabel als csv (374 bytes)
Energie-innovatieprojecten per IEA-categorie (in € mln., 2013 - 2018)
JaarEnergie-efficiencyFossiele brandstoffen (incl. CCS)Hernieuwbare energiebronnenWaterstof- en brandstofcellenOverige stroom- en opslagtechniekenFundamenteel energie-onderzoek (niet specifiek)Onbekend
201317,73,933,50,35,91,30
201424,92,664,50,912,72,20,1
201543,69,91010,711,230,1
2016563,268,20,95,91,50,1
201744,99,267,53,218,64,30,6
201847,919,377,85,912,23,20
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Brontabel als csv (422 bytes)
Organisaties in energie-innovatieprojecten, naar aantal unieke per type (cumulatief, 2013 - 2018)
JaarGrootbedrijfmkbKennisinstellingOverig
20131822675136
201430848972102
201541478596123
2016470988107175
20175261211127175
20185991480131205
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Brontabel als csv (177 bytes)

Regionale industriële clusteraanpak

In elk van de vijf industriële regio’s zal, mede met ondersteuning van het Rijk, een meerjarig industrieel koplopersprogramma worden ontwikkeld. Daarin gaat efficiëntieverbetering hand in hand met verduurzaming van grondstoffengebruik en CO2-reductie. De programma’s zullen getrokken worden door de grootste bedrijven en voortbouwen op bestaande regionale initiatieven en plannen. Daarmee positioneren de vijf regionale clusters zich als proeftuin en versnellingskamer, gericht op het tot stand brengen van de opschaling van duurzame technologie die voor de industrie-van-de-toekomst nodig is en kan resulteren in technologiedoorbraken, substantiële kostendalingen, forse CO2-reducties en exportkansen.

Beprijzing: CO2-heffing

Naast bovengenoemde maatregelen die het aanbod van schone technologie voortstuwen (technology-push), zorgt het kabinet ook voor bevordering van de vraag ernaar (market-pull). Voor de industrie introduceert het kabinet in 2021 een nationale CO2-heffing. Deze heffing zal maximaal aansluiten op het EU ETS (emissiehandelsstelsel) en prikkelt industriebedrijven om hun CO2-uitstoot te verminderen, zonder bedrijvigheid en banen over de grens te jagen. Daartoe zal de heffingsgrondslag niet alle uitstoot van de industrie betreffen, maar alleen het deel van de emissies dat de industrie moet reduceren om het doel in 2030 te halen. De heffing heeft niet als doel om opbrengsten te genereren, maar als dat wel gebeurt, dan worden die via een terugsluis ingezet voor vergroening van de industrie. De vormgeving van de heffing en terugsluis worden het komende jaar uitgewerkt en in wetgeving omgezet.

Beprijzing: opslag duurzame energie

De klimaattransitie moet op een rechtvaardige wijze gerealiseerd worden. Het kabinet verschuift in 2020 de lasten van huishoudens naar het bedrijfsleven door de verdeling van de Opslag Duurzame Energie (ODE: een opslag die alle burgers en bedrijven betalen over hun energieverbruik ter subsidiëring van projecten voor duurzame energie en CO2-reductie) van 50/50 aan te passen naar 33/67 ten gunste van huishoudens. Ook langs deze weg zal de Nederlandse industrie extra geprikkeld worden om maatregelen te treffen die het energieverbruik terugdringen en daarmee de uitstoot verminderen. De figuur laat zien dat de hoogte van de indirecte belasting op gas voor energetisch verbruik in de industrie in Nederland mede door de verschuiving in ODE vanaf 2020 tot de hoogste van Europa behoort.

Hoogte heffing op gas voor energetisch gebruik in energie-intensieve sectoren, internationaal vergeleken, in €ct./m3

Hoogte heffing op gas voor energetisch gebruik in energie-intensieve sectoren, internationaal vergeleken, in €ct./m3
Nederland 2018Nederland 2020Nederland 2030Belgie 2018Duitsland 2018Italie 2018Verenigd Koninkrijk 2018Zweden 2018
Staal0000,830000
Raffinage1,643,493,740,830,271,1200
Kunstmest1,643,493,740,830,271,1202,81
Petrochemie1,643,493,740,83002,262,81
Industriele gassen1,643,493,740,830002,81
Speciale chemicalien1,643,493,740,830,271,1202,81
PwC Nederland; cijfers bewerkt door Ministerie van EZK Brontabel als csv (399 bytes)

Circulaire maakindustrie

De bijdrage die EZK levert aan de circulaire maakindustrie in het kader van het Nationale uitvoeringsprogramma Circulaire Economie draagt mede bij aan de CO2-reductie. In dit programma wordt binnen de prioriteiten maakindustrie, kunststoffen, consumptiegoederen, bouw en biomassa en voedsel gewerkt aan circulaire handelingsperspectieven voor sectoren en productieketens. In het uitvoeringsprogramma circulaire maakindustrie wordt samen met bedrijven, kennisinstellingen en medeoverheden de circulaire transitie in de maakindustrie vormgegeven en versneld. Centraal staat het sluiten van industriële kringlopen, waaronder die van metaalgebaseerde- en biobased grondstoffen en producten.

Naast de activiteiten in dit uitvoeringsprogramma ondersteunt EZK de circulaire economie vanuit het generieke innovatie-instrumentarium. Het gaat hier om 2.183 projecten in 2018, waarvan 566 projecten specifiek betrekking hebben op de maakindustrie. In geld uitgedrukt gaat het hier om € 77 mln. waarvan maakindustrie € 34 mln. Uitgedrukt als aandeel in de generieke innovatiemiddelen is dat 4,9 respectievelijk 2,2 procent.

In TNO-rapport ‘Effecten van het Rijksbrede programma circulaire economie en de transitieagenda’s op de emissie van broeikasgassen’ (klik hier om naar het rapport te gaan) van maart 2018 is becijferd dat uitvoering van het Rijksbrede programma en transitieagenda’s in Nederland kan leiden tot een additionele reductie van broeikasgasemissies van ongeveer 7,7 Mton CO2-equivalent per jaar in 2030 en ongeveer 13,3 Mton CO2-equivalent per jaar in 2050. Dat is een substantieel deel van de emissiereductieopgave voor de industrie in 2030. 11 procent van de berekende emissiereductie wordt in dit rapport toegeschreven aan de maakindustrie.

Onder leiding van het Planbureau voor de Leefomgeving wordt het monitoringsysteem circulaire economie vormgegeven. Hierin wordt de transitie in de maakindustrie verder in beeld gebracht. Een eerste volledige rapportage zal in 2020 worden gepubliceerd.