Verduurzaming industrie

De Nederlandse industrie draagt bij aan onze welvaart, maar ook aan de emissie van broeikasgassen en die moeten omlaag. Het ontwikkelen van oplossingen voor een duurzame industrie biedt ook mogelijkheden ter versterking van de industriële concurrentiekracht. Door de komende jaren sneller dan elders in Europa te verduurzamen, kunnen Nederlandse bedrijven een koppositie verwerven op de markt voor klimaatneutrale en circulaire productieprocessen.

Verduurzaming industrie: hoe staat Nederland ervoor?

De positie van Nederland op het gebied van verduurzaming industrie wordt mede bepaald door de onderstaande indicatoren.

1. Verduurzaming industrie: nationaal

De Nederlandse industrie heeft de broeikasgasemissies ten opzichte van 1990 met 30 Mton gereduceerd, hetgeen neerkomt op een daling van bijna 35%. De uitstoot is na 2014 nagenoeg onveranderd. Klik hier voor cijfers over uitstoot en verduurzaming van de Nederlandse industrie.

2. Verduurzaming industrie: internationaal

De Nederlandse industrie behoort tot de relatief uitstootintensieve industrieën van Europa. Voor een belangrijk deel wordt dat veroorzaakt doordat Nederland enkele relatief grote uitstootintensieve subsectoren kent. Tussen en binnen bedrijfstakken is sprake van grote verschillen in uitstootintensiteit. Klik hier voor meer informatie over de prestaties van Nederland op het gebied van verduurzaming van de industrie in internationaal perspectief.

3. Circulair materiaalgebruik

Nederland loopt binnen Europa voorop wat betreft circulair materiaalgebruik. De toename van het hergebruik van materalen is in de periode 2010-2017 verder toegenomen. Klik hier voor meer informatie over de ontwikkeling van het circulair materiaalgebruik door de Nederlandse industrie.

Verduurzaming industrie: wat is het beleid?

Doelstelling

In het regeerakkoord heeft het kabinet in navolging van het internationale klimaatakkoord van Parijs in 2015 een ambitieus klimaatdoel gesteld: een reductie van 49 procent broeikasgasemissies in 2030 ten opzichte van 1990. Voor de industrie leidde dit tot het indicatieve doel van 59 procent reductie. Volgens het CBS is in 2018 een reductie van 30 Mton CO2-equivalanten (34,8%) gerealiseerd ten opzichte van 1990. In het klimaatakkoord van 28 juni 2019 is afgesproken dat de industrie de uitstoot richting 2030 met indicatief 19,4 Mton CO2-equivalenten verder moet reduceren. Daarvan volgde 5,1 Mton onder meer uit het Energieakkoord 2013 en 14,3 Mton uit het Klimaatakkoord van 2019. Om de opgave van 14,3 Mton reductie in 2030 te realiseren, worden de volgende complementaire instrumenten ingezet.

Innovatie, demonstratie en uitrol

Het kabinet faciliteert bedrijven bij investeringen door een innovatieprogramma gericht op de kostenreductie van kansrijke technieken. Hiertoe behoren niet alleen R&D-programma's van de TKI's (o.a. Energie en Chemie), maar ook pilot- en demonstratieprojecten die ondersteund worden met op emissiereductie gerichte instrumenten (o.a. klimaatenveloppe). In het verlengde daarvan worden onder andere Meerjarige maatschappelijke innovatieprogramma's (MMIPs) vormgegeven en komen SDE++-subsidiemiddelen beschikbaar voor de uitrol op grote schaal van CO2-reducerende technieken die nu nog niet rendabel zijn. Tevens zullen bedrijven verplicht worden om technieken met een terugverdientijd korter van vijf jaar toe te passen. Voor groene waterstof is er bovendien een waterstofprogramma, gericht op onderzoek, pilots en demonstratieprojecten, infrastructuur en brede waterstoftoepassingen. De figuren presenteren de publieke en private inleg op energie-innovaties voor de industrie. Zo is er in 2019 meer dan €51 miljoen aan publieke middelen geïnvesteerd in onderzoek, ontwikkeling en het demonstreren van energiebesparingstechnieken specifiek voor de industrie, het afvangen, distribueren, opslaan en hergebruiken van CO₂ (CCUS) en de lokale productie van duurzame warmte uit biomassa.

De inzet van publieke middelen hierop gaat ook met private bijdragen. De private bijdrage is gemiddeld 55% in de afgelopen 5 jaar (range 51-62%): Op elke euro door de overheid geïnvesteerd in energie innovatieprojecten voor de industrie wordt €1,2 door de sector zelf er bij gelegd.

Industrie energie-innovatieprojecten per IEA-categorie (publieke investeringen in € mln, 2015-2019)

Industrie energie-innovatieprojecten per IEA-categorie (publieke investeringen in € mln, 2015-2019)
Energiebesparing industrieBiobrandstoffenCO2 afvang en opslagOlie en gasEnergiebesparing overigWaterstofEnergieopslag
2015€18 mln€6 mln€2 mln€11 mln€1 mln€1 mln
2016€34 mln€21 mln€2 mln€5 mln€0 mln€0 mln
2017€20 mln€7 mln€11 mln€2 mln€3 mln€2 mln€1 mln
2018€26 mln€8 mln€16 mln€11 mln€10 mln€4 mln
2019€35 mln€3 mln€7 mln€2 mln€2 mln€3 mln€0 mln
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Brontabel als csv (458 bytes)
Industrie energie-innovatieprojecten per type innovatie-activiteit (publieke investeringen 2015-2019)
Fundamenteel onderzoekIndustrieel onderzoekExperimentele ontwikkelingDemonstratieHaalbaarheidsstudieOndersteuning en kennisoverdracht
2015€3 mln€17 mln€4 mln€15 mln
2016€3 mln€22 mln€7 mln€30 mln
2017€2 mln€27 mln€2 mln€14 mln€0 mln€0 mln
2018€11 mln€31 mln€8 mln€25 mln€0 mln€0 mln
2019€3 mln€12 mln€14 mln€18 mln€4 mln€0 mln
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Brontabel als csv (421 bytes)
Verhouding publieke en private inleg in industrie energie-innovatieprojecten (2015-2019)
Publieke bijdragePrivate bijdrage
201544%56%
201649%51%
201739%61%
201849%51%
201943%57%
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Brontabel als csv (107 bytes)

Regionale industriële clusteraanpak

In elk van de vijf industriële regio’s en cluster 6 (bedrijfstakken die geografisch verspreid zijn, o.a. in de papier-, bouwmaterialen- en voedmiddelenproductie) is, mede met ondersteuning van het Rijk, een meerjarig industrieel koplopersprogramma opgesteld. Deze koploperplannen zijn medio 2020 gepresenteerd. Daarin gaat efficiëntieverbetering hand in hand met verduurzaming van grondstoffengebruik en CO2-reductie. De programma’s zullen voortbouwen op bestaande regionale initiatieven en plannen. Daarmee positioneren de zes clusters zich als proeftuin en versnellingskamer, gericht op het tot stand brengen van de opschaling van duurzame technologie die voor de industrie-van-de-toekomst nodig is en kan resulteren in technologiedoorbraken, substantiële kostendalingen, forse CO2-reducties en exportkansen.

Beprijzing: CO2-heffing

Naast bovengenoemde maatregelen die het aanbod van schone technologie voortstuwen (technology-push), zorgt het kabinet ook voor bevordering van de vraag ernaar (market-pull). Voor de industrie introduceert het kabinet in 2021 een nationale CO2-heffing. Deze heffing sluit maximaal aan op het EU ETS en prikkelt industriebedrijven om hun CO2-uitstoot te verminderen, zonder bedrijvigheid en banen over de grens te jagen. Daartoe zal de heffingsgrondslag niet alle uitstoot van de industrie betreffen, maar alleen het deel van de emissies dat de industrie moet reduceren om het doel in 2030 te halen. De heffing heeft niet als doel om opbrengsten te genereren, maar als dat wel gebeurt, dan worden die via een terugsluis ingezet voor vergroening van de industrie. Het wetsvoorstel voor de heffing is op Prinsjesdag gepubliceerd, als onderdeel van het Belastingplan 2021, samen met de speelveldtoets 2020 van PwC. 

Beprijzing: opslag duurzame energie

De klimaattransitie moet op een rechtvaardige wijze gerealiseerd worden. Het kabinet verschuift in 2020 de lasten van huishoudens naar het bedrijfsleven door de verdeling van de Opslag Duurzame Energie (ODE: een opslag die alle burgers en bedrijven betalen over hun energieverbruik ter subsidiëring van projecten voor duurzame energie en CO2-reductie) van 50/50 aan te passen naar 33/67 ten gunste van huishoudens. Ook langs deze weg zal de Nederlandse industrie extra geprikkeld worden om maatregelen te treffen die het energieverbruik terugdringen en daarmee de uitstoot verminderen.

Circulaire maakindustrie

De bijdrage die EZK levert aan de circulaire maakindustrie in het kader van het Nationale uitvoeringsprogramma Circulaire Economie draagt mede bij aan de CO2-reductie. In dit programma wordt binnen de prioriteiten maakindustrie, kunststoffen, consumptiegoederen, bouw en biomassa en voedsel gewerkt aan circulaire handelingsperspectieven voor sectoren en productieketens. In het uitvoeringsprogramma circulaire maakindustrie wordt samen met bedrijven, kennisinstellingen en medeoverheden de circulaire transitie in de maakindustrie vormgegeven en versneld. Centraal staat het sluiten van industriële kringlopen, waaronder die van metaalgebaseerde- en biobased grondstoffen en producten.

Naast de activiteiten in dit uitvoeringsprogramma ondersteunt EZK de circulaire economie vanuit het generieke innovatie-instrumentarium. Het gaat hier om ca 2400 projecten in 2019, waarvan ongeveer 700 projecten specifiek betrekking hebben op de maakindustrie. In geld uitgedrukt gaat het hier om grofweg € 100 mln, waarvan maakindustrie iets meer dan de helft is. Uitgedrukt als aandeel in de generieke innovatiemiddelen is dat 7 respectievelijk 4 procent.  

In TNO-rapport ‘Effecten van het Rijksbrede programma circulaire economie en de transitieagenda’s op de emissie van broeikasgassen’ (klik hier om naar het rapport te gaan) van maart 2018 is becijferd dat uitvoering van het Rijksbrede programma en transitieagenda’s in Nederland kan leiden tot een additionele reductie van broeikasgasemissies van ongeveer 7,7 Mton CO2-equivalent per jaar in 2030 en ongeveer 13,3 Mton CO2-equivalent per jaar in 2050. Dat is een substantieel deel van de emissiereductieopgave voor de industrie in 2030. 11 procent van de berekende emissiereductie wordt in dit rapport toegeschreven aan de maakindustrie.

Het Planbureau voor de Leefomgeving zal de regie voeren over een tweejaarlijkse integrale Circulaire Economie rapportage. Deze rapportage zal zicht geven op de mate van voortgang naar een circulaire economie en verschijnt voor het eerst in januari 2021.